07/23/2026 | Press release | Distributed by Public on 07/22/2026 16:23
In 2025 hadden naar schatting 503 duizend huishoudens te maken met energiearmoede. Nadat de financiële steunmaatregelen in 2024 zijn stopgezet, steeg het aandeel huishoudens met energiearmoede naar 6 procent. In 2025 verandert dit niet. Wel is het lager dan in 2021, het jaar voordat de steunmaatregelen werden ingevoerd. Dat blijkt uit nieuwe voorlopige cijfers van TNO en het CBS.
In het rapport Energiearmoede in Nederland (pdf) * en de Monitor Energiearmoede** hebben TNO en het CBS onderzocht hoe energiearmoede zich tussen 2019 en 2025 heeft ontwikkeld. De cijfers voor 2025 zijn gebaseerd op een voorlopige schatting*** door TNO, omdat nog niet alle gegevens beschikbaar zijn.
Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen in combinatie met hoge energiekosten en/of een woning met een lage energetische (kosten)kwaliteit. Dat is een woning die slecht te verwarmen is en/of geen energie kan opwekken met bijvoorbeeld zonnepanelen. In 2025 hadden naar schatting 503 duizend huishoudens te maken met energiearmoede****, dat is 6 procent van alle huishoudens. Dit is gelijk aan 2024.
Binnen deze groep is wel wat verschoven. Zo neemt het aantal huishoudens met een laag inkomen en een woning met een slechte energiekwaliteit verder af. Het aantal huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten neemt echter toe, van 385 duizend in 2024 naar 410 duizend in 2025. Dit komt vooral door een hoger energieverbruik en een stijging van de vaste leveringskosten voor gas en elektra.
Voor het eerst is niet alleen gekeken naar hoeveel huishoudens met energiearmoede te maken hebben, maar ook naar de diepte van het probleem. Dit gebeurt met de betaalbaarheidskloof: het bedrag dat een huishouden met energiearmoede jaarlijks tekortkomt om de energiekosten onder de grens van energiearmoede te brengen.
Die kloof is in 2025 verder toegenomen. Huishoudens met een laag inkomen en hoge energiekosten komen gemiddeld 624 euro per jaar tekort. In 2024 was dat 577 euro. Om deze energiearme huishoudens in 2025 uit energiearmoede te helpen was circa 256 miljoen euro nodig geweest.
Energiearme huishoudens in woningen met een zeer slechte energiekwaliteit en energiearme huishoudens met een koopwoning hebben de grootste tekorten. Zij komen gemiddeld respectievelijk 1 295 euro en 967 euro per jaar tekort om uit energiearmoede te komen.
Tijdens de energiecrisis na de Russische inval in Oekraïne in 2022 stegen de energiekosten voor iedereen flink. Financiële steunmaatregelen hebben in 2022 en 2023 een aantal huishoudens behoed voor energiearmoede. Maar een relatief kleine groep huishoudens met een laag inkomen had ondanks de steun alsnog hoge energiekosten, met een gemiddelde betaalbaarheidskloof van 738 euro per jaar in 2022 en 821 euro in 2023.
Energiearmoede komt relatief vaak voor in grote steden en in Noordoost-Groningen en Zuid-Limburg. De huishoudens met een diepe betaalbaarheidskloof wonen vooral aan de randen van Nederland.
De gemiddelde maandelijkse energiekosten zijn opnieuw gestegen in 2025, van gemiddeld 167 euro in 2024 naar 181 euro in 2025 voor alle huishoudens. Voor energiearme huishoudens namen ze toe van 177 naar 188 euro.
De energiequote is het deel van het inkomen dat uitgegeven wordt aan energiekosten. Gemiddeld geeft een huishouden 5 procent van het inkomen uit aan energiekosten. Bij energiearme huishoudens is dat gemiddeld 12 procent. Dit is sinds 2019 elk jaar toegenomen, alleen in 2022 en 2023 was dit gemiddeld lager door de financiële steunmaatregelen. Door een toename van de vaste kosten en het gestegen energieverbruik stegen de uitgaven aan energie harder dan de inkomens.
Download het volledige rapport of bekijk de Interactieve energiearmoede kaart Nederland en de overzichtspagina Energiearmoede voorkomen.
De studie Energiearmoede in Nederland 2019-2025 maakt deel uit van het Nationaal Energiearmoede Observatorium (NEO), dat wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) in samenwerking met TNO. Het programma wordt gefinancierd door de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK), Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), en Binnenlandse Zaken (BZK).
Daarnaast publiceert het CBS jaarlijks in opdracht van het ministerie van EZK de Monitor Energiearmoede, een tabellen- en microdataset met de meest recent beschikbare informatie over de betaalbaarheid van energiekosten voor huishoudens. Omdat de benodigde gegevens pas 14 maanden na afloop van een verslagjaar beschikbaar zijn, heeft de meest recente monitor betrekking op 2024. TNO heeft deze microdata gebruikt voor een doorrekening naar de situatie in 2025.
De cijfers voor 2019 tot en met 2024 zijn gebaseerd op de CBS-publicatie Monitor Energiearmoede 2019-2024. Deze monitor wordt ook vandaag gepubliceerd in de vorm van een tabellenset.
De voorlopig geschatte niveaus van energiearmoede voor 2025 dienen met de nodige voorzichtigheid te worden geïnterpreteerd. Door een gebrek aan individuele gegevens wat betreft het energieverbruik, inkomen en verduurzaming van de woning in 2025, is energiearmoede geschat op basis van huishoudensgegevens uit 2024. Deze gegevens zijn zo goed mogelijk bijgewerkt op basis van algemene ontwikkelingen in inkomen, energieverbruik en energieprijzen in 2025.
Huishoudens met energiearmoede hebben een laag inkomen in combinatie met hoge energiekosten en/of een woning met een lage energetische (kosten)kwaliteit. Lage energetische (kosten)kwaliteit betekent dat een woning slecht te verwarmen is (bijvoorbeeld door slechte isolatie) en/of er geen mogelijkheden zijn om energie op te wekken (bijvoorbeeld met zonnepanelen). De energiekosten bestaan uit de energierekening, verminderd met eventuele financiële steunmaatregelen vanuit de overheid.
Een laag huishoudensinkomen is maximaal 20 procent hoger dan de armoedegrens. In 2024 hebben het CBS, Nibud en het SCP een nieuwe methode geïntroduceerd om armoede in Nederland te meten. Dit jaar is de definitie voor een laag inkomen binnen de monitor energiearmoede daarop aangepast en voor alle jaren herberekend. Voor de risicohuishoudens, oftewel de huishoudens net boven de gehanteerde inkomensgrens, is de definitie ook aangepast naar maximaal 20 tot 70 procent van de armoedegrens. Deze huishoudens zijn niet energiearm, maar lopen bij hoge energieprijzen het risico dat de energiekosten ook te hoog worden ten opzichte van hun inkomen.
Anika Batenburg is senior onderzoeker bij TNO Energy Transition Studies. Met haar achtergrond in de sociale wetenschappen, communicatiewetenschap en data science richt zij zich op het oplossen van maatschappelijk relevante vraagstukken binnen de energietransitie. Zij vertaalt complexe, datagedreven wetenschappelijke inzichten naar praktische en haalbare beleidsoplossingen. Haar focus ligt hierbij sterk op het realiseren van een rechtvaardige energietransitie en effectieve klimaatcommunicatie.